Bij 370 duizend werkenden was in 2009 het inkomen zo laag dat ze onder de armoedegrens leefden, terwijl ze wel werk hebben.
Door een laag loon of door te weinig inkomsten uit een eigen bedrijf, komen mensen vaak onder de armoedegrens. Maar men kan ook onder de armoedegrens schieten als gevolg van negatieve inkomsten uit vermogen, zoals betaalde hypotheekrente en rente op consumptief krediet. Bij gemiddeld 9 procent van alle huishoudens van werkenden met een laag inkomen duwden juist hoge rentelasten het inkomen onder de armoedegrens.
Bij de werknemers met een inkomen onder de lage-inkomensgrens gaat het veel meer om uitzendkrachten en werknemers met een flexibel arbeidscontract dan bij de werknemers die boven de grens zitten. Zo was 28 procent van de werknemers met kans op armoede een uitzendkracht of flexwerker, tegenover 9 procent bij de werknemers met een hoger inkomen.